Woensdagochtend om 5.35 u ging ik joggen met genoeg proviand bij me voor twee weken. Na twee
dagen moest ik stoppen om een beslissing te nemen. Ik stond op een driesprong. Uit mijn
broekzak haalde ik een muntstuk en gooide die op. Ik vervolgde mijn weg naar rechts. In de
verte zag ik de skyline van een stad en wat dichterbij een zo te zien verlaten
industrieterrein waar ik recht op af liep. Ik had geen idee welke stad ik zag, al zou ik
daar makkelijk achter kunnen komen als ik stil zou staan bij mijn situatie. (Wat was er
bijvoorbeeld gebeurd wanneer ik naar links was gegaan op de driesprong? Of gelijk voor mijn
voordeur al een andere kant op was gerend? Ik wou er niet aan denken.) Mijn eten bestond
voornamelijk uit droogvoer, aangevuld met water dat ik onderweg uit natuurlijke bronnen
putte. Als er leidingwater was geweest had ik dat uiteraard liever gedronken. Ik moest er
niet aan denken ziek te worden. Ik rende nu recht op de openstaande hekken van het
industrieterrein af en hoopte maar dat het inderdaad verlaten was. Toen ik omringd was door
fabriekshallen, met links voor me een kleiner gebouw, stopte ik. Ik ging zitten en at,
ondertussen mijn omgeving in mij opnemend. Aan slaap had ik geen behoefte. Toen ik genoeg
gegeten had stond ik op en rende weer door, het industrieterrein achter me latend. De stad
liet ik links liggen; eenmaal op dit punt aangekomen was ik niet geïnteresseerd in mensen.
Gek genoeg was het al twee dagen geen nacht meer geweest, wat me weliswaar verbaasde maar
niet lang kon boeien. De nacht was alleen maar lastig, want dan zag ik veel minder door mijn
slechte ogen die in het donker bijna blind waren. Ik zou me kunnen verstappen en mijn enkel
breken, of ongemerkt een weg in kunnen slaan die niet door het lot bepaald werd. Of nog
erger. Dat zou alles verpesten.
Opeens was het stil. Doodstil. Er was niets meer, alleen een paar meeuwen in
slow-motion.
Op de laatste dag kwam ik een troep lemmingen tegen, op weg naar zee. Ik besloot om te
draaien en naar huis te gaan.